De historie van botulinetoxine

Botuline heeft via voedselvergiftiging waarschijnlijk al eeuwen slachtoffers gemaakt onder de mensheid. De eerste die hier onderzoek naar doet is de Duitse arts en dichter Justinus Kerner.

Copyright: Ipsen Farmaceutica

Tussen 1817 en 1820 beschrijft de Duitse arts vier gevallen van mensen die zijn overleden na het eten van bloedworst. In 1822 wijst hij de schuldige aan: ‘worstgif’. Dit gif, zo blijkt uit zijn proeven met dieren (en zichzelf), leidt onder andere tot verlamming van de spieren en het stoppen van de aanmaak van speeksel, maagzuur en tranen.

Geneesmiddel

Kerner ziet ook mogelijkheden om het gif als geneesmiddel toe te passen. Spierspasmen en overvloedige aanmaak van speeksel en zweet zouden volgens hem met de juiste dosis gif goed te behandelen moeten zijn. Het zal echter nog ongeveer anderhalve eeuw duren voordat dit werkelijkheid wordt. Het blijft nog lang onbekend waar het gif precies vandaan komt.

Begrafenis

Een dramatisch verlopen begrafenis maakt eind van de negentiende eeuw duidelijk wat de bron is van het ‘worstgif’. In 1895 wordt de Gentse hoogleraar en microbioloog  Emile Pierre van Ermengem, student van de vermaarde Robert Koch, te hulp geroepen nadat in het Belgische plaatsje Elzele muzikanten na een begrafenis ziek zijn geworden. Enkele van hen zijn zelfs overleden. Hun symptomen komen overeen met die zoals eerder beschreven door Kerner.

Botulinetoxine

Van Ermengem ontdekt dat de gerookte ham die zij hebben gegeten besmet is met een bacterie die een gifstof uitscheidt. Hij noemt de bacterie Bacillus botulinus en het gif botulinetoxine. Later wordt de bacterie herdoopt tot Clostridium botulinum. De bacterie groeit in zuurstofloze omstandigheden (anaeroob).  Begin van de twintigste eeuw wordt duidelijk dat er verschillend serotypen van de bacterie bestaan, elk met zijn eigen gifstof. Inmiddels zijn er 7 soorten botulinetoxine bekend: A tot en met G. Mensen zijn gevoelig voor botuline A, B, E en F.

Lui oog

Nadat tijdens de Tweede Wereldoorlog vergeefs is geprobeerd een biologisch wapen te maken op basis van botuline toxine, volgt in 1968 – eindelijk – de door Justinus Kerner voorspelde medisch toepassing van botulinetoxine. In 1968 komen in San Francisco oogarts Alan Scott en biochemicus  Edward Schantz – die in de oorlog botulinetoxine A voor het leger heeft geproduceerd – op het idee mensen met een lui oog  (strabismus) te behandelen met botulinetoxine A. Inspuiten van het gif in een van de oogspieren leidt tot verslapping van de spier, waardoor het oog weer recht vooruit kan kijken.

Zweetvorming

Het succes dat Scott behaalt bij zijn patiënten opent de weg voor verder medisch gebruik van botulinetoxine A. Bij diverse aandoening waarbij sprake is van een voortdurende verkramping van spieren, zoals dystonie en spasticiteit (na een beroerte), blijken injecties met botulinetoxine A succesvol. Ook zijn de injecties effectief tegen overmatige zweetvorming in de oksels (hyperhidrosis). Daarnaast vindt botulinetoxine A zijn weg naar gebruik in de cosmetische wereld.